Reisverhaal

‘Waar gaan we eigenlijk naartoe?’Santa Catalina-klooster, Arequipa

 

‘Arequipa, dan Nazca en daarna Pisco.’

 

‘Waarom ook alweer Arequipa?’

 

‘Voor dat klooster. Santa Catalina.’

 

‘O, ja.’

 

Ik ben een reiziger van niks. Verlangen naar avontuur, glimlachend ontberingen doorstaan of met plezier risico’s nemen. Ik heb het allemaal niet in huis en ook niet de behoefte om, ik noem maar wat, de Taj Mahal, Bora Bora of de Maleisische Petronas Towers met eigen ogen te zien. Wat dan wel? Nou, angst voor het onbekende, enge beesten en voor ziektes. Tja. Wat ik bijvoorbeeld nooit zou doen: in m’n eentje gaan wandelen, in de duinen of het bos. In Nederland. Brr. Mijn angst is van het niveau: verstuikte-enkel-en-wat-dan? Voor Bella betekende dat niets. Ze ging vaak alleen wandelen en eigenlijk benijdde ik haar daar om. Doordat ze dat soort dingen durfde had ze veel meer vrijheid dan ik. En zo avontuurlijk was het nou ook weer niet, want het liep bijna altijd goed af.

 

Bella leerde ik kennen op weg naar de Pyreneeën. Vanaf de eerste minuut hadden we elkaar zoveel te vertellen, dat we op anderen de indruk maakten al jaren dikke vriendinnen te zijn, en zo voelde het ook. Bella was niet echt een thrillseeker, maar wel iemand die graag eens wat mee wilde maken. Zo wilde ze persé Machu Picchu bezoeken en een trekking doen in de Andes. De Inca-trail, dat leek mij ook wel wat. En ik wilde toch al jaren eens het mysterie van Nazca van dichtbij zien? Al snel leek het een heel goed idee om daar samen met Bella naartoe te gaan en nu ik dan toch op reis ging had ik wel een paar wensen. Ik vind het gênant om toe te geven, maar Zuid-Amerika heeft de vogelaar in mij blootgelegd. Condors stonden bovenaan mijn lijstje en op twee: pinguïns. Daar werd ik blij van. ‘Oh, flamingo’s!’ Het interesseerde Bella geen bal welke vogels er nu weer langsvlogen, maar het was een welkome aanleiding om even te pauzeren tijdens een wandeling bij de grens van Chili en Bolivia. De hoogte had ons tempo gereduceerd tot dat van een hoogbejaarde die z’n rollator mist.

 

Voor mij was het vaak een verrassing waar we terechtkwamen. Bella bepaalde onze route. Dat deed ze graag, want ze wilde veel in die drie maanden. Mij ging het erom er te zijn, haar om zoveel mogelijk te zien. Het lukte meestal om haar moordende tempo wat in te tomen, zodat we niet alleen maar onderweg waren, maar ook weleens twee dagen op dezelfde plek. Dan was er tijd om je thuis te gaan voelen en ook van onspectaculaire dingen te genieten, zoals koffie met een krantje erbij in het lokale café en het nieuws te volgen over Pinochets uitlevering aan Chili. Waar Bella’s haast vandaan kwam weet ik niet. Ik denk niet dat ze voorvoelde dat ze de 40 niet zou halen.

 

Met eten waren de rollen omgedraaid en was Bella helemaal niet zo avontuurlijk, en ik soms te. Zo bestelde ik in Arequipa, in het zuiden van Peru, cuy. De cavia lag erbij alsof ‘ie gevierendeeld was en veel vlees zat er niet aan. Bella at beter, die avond. Ze kon ook op andere momenten beter dan ik weerstand bieden aan de verleiding om ceviche te bestellen of andere culinaire gewaagdheden. Als we met mensen te maken kregen, om tripjes te boeken of informatie te vragen, kwam ik in actie. Dan liet ik mijn mix van Spaans en Italiaans op hen los en kwamen we er meestal wel uit, of Bella en ik deden alsof de uitkomst van zo’n gesprek ook vooraf de bedoeling was geweest. We waren een goede combinatie: Bella en ik. De opschepperij, pardon, verhalen van medereizigers over wie allemaal waar geweest was en wat gezien had, verveelden ons meestal snel. We voelden ons prettig in elkaars gezelschap.

 

Het Zwitserland van Zuid-Amerika, Chili, was voor mij een goed begin. Bella leidde ons daarvandaan via Bolivia naar Peru. We waren het behoorlijk eens over wat wel en niet de moeite waard was. De hele reis was er maar een doorlopend discussiepunt: gaan we wel (Bella) of niet (Barbara) naar de jungle? Bij de gedachte eraan speelden mijn angsten voor ziekte en ongedierte weer op. Bella hield vol en dus gingen we. We hadden inmiddels al een paar shocks achter de rug. De cultuurshock in de sloppenwijken van La Paz, de hoogte in de Andes, maar de klimatologische opdoffer in het klamme Iquitos was nieuw. Klam was het. En overweldigend om over de Amazone te varen, roze rivierdolfijnen te zien en vogels natuurlijk. Ziek werd ik inderdaad. Een zonnesteek, dat was alles. Met het juiste gezelschap en een slimme route ging het reizen me intussen aardig af. Ik had geen drie maanden nodig om te begrijpen waarom zoveel mensen van reizen houden. Ik vond vooral de gewone dingen leuk: boodschappen doen, naar de wasserette gaan en met bewoners praten. Het gevoel krijgen dat je ergens past, doen alsof je er thuishoort. Dat.

 

Vijf jaar na onze ontmoeting kwam er een abrupt einde aan de vriendschap, want je kunt niet goed bevriend zijn met iemand die vermist is geraakt. Een berichtje op de voorpagina van het Parool meldde de verdwijning van een Amsterdamse verpleegkundige in Mozambique. Bella. Dat wist ik meteen, ook al was ze geen verpleegkundige. Met een paar anderen zou ze in de bergen gaan wandelen. Onenigheid zorgde ervoor dat ze opsplitsten. Bella was alleen doorgegaan, typisch Bella, en niet meer teruggekomen. Ondanks uitgebreide zoektochten werd ze nooit gevonden. Afwezig als ze was, bracht ze mij nog een keer naar een exotische bestemming. Zolang ik haar kende raakte ze niet uitgepraat over de ruige schoonheid van IJsland. Ruim een jaar nadat ik over haar vermissing hoorde, luisterde ik bij Landmannalaugur naar het Requiem van Mozart en nam ik afscheid van Bella.